Deze website maakt gebruik van cookies. Door uw bezoek gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.

www.salaris-informatie.nl

  • Home

CAO Metaal en Techniek | vakantiedagen

In de CAO metaal en techniek (CAO kleinmetaal / CAO metaalnijverheid) zijn afspraken gemaakt over vakantiedagen. Onderstaand treft u de belangrijkste artikelen aan over verlof. Voor alle afspraken, adviseren wij u de tekst van de CAO aan te houden.

 

Artikel 50 vakantiedagen

1. De werknemer voor wie een dienstrooster van vijf dagen per week geldt op basis van een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uren berekend over een periode van maximaal één jaar, ontvangt 192 vakantie-uren per jaar (in de regel 24 vakantiedagen).
Aantekening:
Tot 1 januari 2006 ontving de werknemer als hiervoor bedoeld 200 vakantie-uren per jaar (in de regel 25 vakantiedagen).

Met ingang van 1 januari 2017 komt het vorenstaande lid 1 te vervallen en geldt het volgende:
De werknemer voor wie een dienstrooster van vijf dagen per week geldt op basis van een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uren berekend over de periode van maximaal 1 jaar, ontvangt 200 vakantie-uren (in de regel 25 dagen).

2. Bestaande afspraken op bedrijfs- of individueel niveau die leiden tot vakantieaanspraken die het aantal in deze CAO aangegeven aantal vakantie-uren te boven gaan worden door de in deze CAO gewijzigde beschrijving van vakantieaanspraken in uren niet aangetast en worden vanaf 1 januari 2017 verhoogd met 8 vakantieuren (in de regel een vakantiedag).

3. Bij een voor de werknemer geldend dienstrooster op basis van een kortere gemiddelde wekelijkse arbeidsduur heeft de werknemer recht op vakantie naar evenredigheid.

4. Bij een dienstverband gedurende een gedeelte van het kalenderjaar heeft de werknemer recht op vakantie naar evenredigheid.

 

Artikel 51 extra vakantierechten voor oudere werknemers

1. De werknemer die op 30 juni respectievelijk op 31 december van het lopende jaar ten minste zes maanden onafgebroken in dienst van de werkgever is, verwerft boven de vakantie genoemd in artikel 50 mede telkenmale op voormelde tijdstippen:
a 12 vakantie-uren (in de regel anderhalve vakantiedag) indien hij alsdan 50 jaar of ouder is;
b 16 vakantie-uren (in de regel twee vakantiedagen) indien hij alsdan 55 jaar of ouder is;
c 28 vakantie-uren (in de regel drie en een halve vakantiedag) indien hij alsdan 57 1/2 jaar is;
d 40 vakantie-uren (in de regel vijf vakantiedagen) indien hij alsdan 58 jaar of ouder is;
e 48 vakantie-uren (in de regel zes vakantiedagen) indien hij alsdan 60 jaar is; f 52 vakantie-uren (in de regel zes en een halve vakantiedag) indien hij alsdan 61 jaar is;
g 56 vakantie-uren (in de regel zeven vakantiedagen) indien hij alsdan 62 jaar is;
h 60 vakantie-uren (in de regel zeven en een halve vakantiedag) indien hij alsdan 63 jaar is;
i 64 vakantie-uren (in de regel acht vakantiedagen) indien hij alsdan 64 jaar is.

Voorbeelden:
1. De werknemer is jarig in de periode 1 januari t/m 30 juni.
Wordt hij in die periode 60 jaar, dan heeft hij in dat jaar recht op extra uren/dagen vakantie nl.: per 30 juni per 31 december in totaal 48 vakantie-uren (in de regel 6 dagen) 48 vakantie-uren (in de regel 6 dagen) 96 vakantie-uren (in de regel 12 dagen)

2. De werknemer is jarig in de periode van 1 juli t/m 31 december.
Wordt hij in die periode 60 jaar, dan heeft hij in dat jaar recht op extra uren/dagen vakantie nl.: per 30 juni (hij is dan nog 59 jaar) 40 vakantie-uren (in de regel 5 dagen) per 31 december 48 vakantie-uren (in de regel 6 dagen) in totaal 88 vakantie-uren (in de regel 11 dagen)

In beide voorbeelden is aangenomen dat de werknemer op 30 juni en 31 december ten minste zes maanden in dienst is.

2. Voor de werknemer die op of na 1 juli 2012 61 jaar wordt geldt het gestelde in lid 1 onder a tot en met f.

3. In afwijking van het gestelde in lid 1 geldt voor de werknemer, die op 30 juni 2012 61 jaar of ouder is en ten minste zes maanden onafgebroken in dienst van de werkgever is, dat hij boven de vakantie genoemd in artikel 50 telkens op 30 juni en 31 december van het lopende jaar niet meer vakantie-uren verwerft dan het aantal vakantie-uren waarop hij per 30 juni 2012 recht had op grond van het in lid 1 bepaalde.
Indien deze werknemer na 30 juni 2012 in dienst treedt van een andere werkgever in de Metaal en Techniek behoudt hij boven de vakantie genoemd in artikel 50 telkens op 30 juni en 31 december van het lopende jaar hetzelfde aantal vakantie-uren als het aantal vakantie-uren waarop hij per 30 juni 2012 recht had op grond van het in lid 1 bepaalde.

Voorbeeld:
De werknemer is in de periode van 1 januari t/m 30 juni 2012 62 jaar en wordt op 1 oktober 2012 63 jaar: per 30 juni 2012 56 vakantie-uren per 31 december 2012 56 vakantie-uren in totaal 112 vakantie-uren
De werknemer ontvangt per 31 december dus niet het aantal uren behorende bij een 63-jarige maar blijft het aantal uren behouden waar hij op 30 juni 2012 recht had. In dit geval dus 56 vakantie-uren in plaats van 60 vakantie-uren.

Aantekening:
CAO-partijen wijzen op het belang en de wenselijkheid van het opnemen van leeftijdsdagen, dit ten behoeve van de duurzame inzetbaarheid van de betreffende werknemers. 

Met ingang van 1 januari 2017 geldt het volgende:
1. De werknemer die op 30 juni respectievelijk op 31 december van het lopende jaar ten minste zes maanden onafgebroken in dienst van de werkgever is, verwerft boven de vakantie genoemd in artikel 50 mede telkenmale op voormelde tijdstippen:
a 4 vakantie-uren (in de regel een halve vakantiedag) indien hij alsdan 53 jaar of ouder is;
b 8 vakantie-uren (in de regel één vakantiedag) indien hij alsdan 55 jaar of ouder is;
c 16 vakantie-uren (in de regel twee vakantiedagen) indien hij alsdan 57 jaar is;
d 32 vakantie-uren (in de regel vier vakantiedagen) indien hij alsdan 58 jaar of ouder is;
e 40 vakantie-uren (in de regel vijf vakantiedagen) indien hij alsdan 60 jaar is;
f 48 vakantie-uren (in de regel zes vakantiedagen) indien hij alsdan 61 jaar of ouder is;
h 50 vakantie-uren (in de regel zes en een kwart vakantiedag) indien hij alsdan 65 jaar is;

2. Overgangsregeling: Het aantal extra vakantie-rechten dat de werknemer van 50 jaar ofouder op de peildatum van 31 december 2016 had, behoudt hij minus 4 vakantie-uren (in de regel een halve dag) per peildatum tot dat hij op grond van de extra vakantierechten van dit artikel per peildatum meer uren gaat krijgen. Vanaf dat moment geldt voor hem dan die nieuwe regeling.

Voorbeelden:
Een werknemer van 55 jaar had volgens artikel 51 (oud) op 31 december 2016 recht op 16 vakantie-uren.
In gevolge lid 2 geldt dan 12 vakantie-uren (16 -/- 4). Op 30 juni 2017 heeft deze werknemer (nog steeds 55 jaar) volgens (het nieuwe) lid 1 recht op 8 vakantie-uren. Deze werknemer blijft dan 12 vakantie-uren behouden aangezien hij meer had dan de 8 vakantie-uren. Als deze werknemer 57 jaar is op 30 juni / 31 december van enig jaar (na 1 januari 2017) heeft de werknemer volgens het nieuwe lid 1 recht op 16 vakantie- uren. Dit is meer dan de 12 uren waar hij volgens lid 2 recht op had en deze werknemer ontvangt dan vanaf dat moment 16 vakantie-uren op de peildatum. En vervolgens bij 58 jaar 32 vakantie-uren op peildatum enz.

Een werknemer die op 31 december 2016 59 jaar en op 30 juni 2017 59 jaar is en op 31 december 2017 60 jaar is: deze werknemer ontvangt volgens lid 2, 40 vakantie-uren minus 4 is 36 vakantie-uren. Op 30 juni 2017 ontvangt deze werknemer volgens het nieuwe lid 1, 32 vakantie-uren en dus blijft hij die 36 uur ontvangen; op 31 december 2017 (hij is dan dus 60 jaar !) ontvangt hij volgens lid 1 40 uren en dit is meer dus ontvangt hij 40 uren (en bij 61 jaar telkens 48 uur enz.).
Een werknemer die op 31 december 2016 63 jaar is en op 30 juni 2017 64 jaar wordt: deze werknemer ontvangt volgens lid 2 48 vakantie-uren (52 uur minus 4). Op 30 juni 2017 ontvangt deze werknemer volgens het nieuwe lid 48 vakantie-uren en dus blijft het ongewijzigd.

3. Indien de werknemer op een peildatum (30 juni of 31 december) langer dan 12 maanden volledig arbeidsongeschikt is, verwerft hij op dat moment geen extra vakantie-uren (in de regel vakantiedagen)

 

Artikel 54 aaneengesloten vakantie

1. De aaneengesloten vakantie wordt als regel genoten tussen 30 april en 1 oktober en omvat, tenzij het bedrijfsbelang zich daartegen verzet, 21 of meer kalenderdagen. Indien het bedrijfsbelang zich verzet tegen een aaneengesloten vakantie van 21 of meer kalenderdagen, omvat de aaneengesloten vakantie ten minste 14 of meer kalenderdagen. De vaststelling van de aaneengesloten vakantie geschiedt door de werkgever in overleg met de betrokken werknemer, mits de werknemer deze tijdig aanvraagt en zijn aanspraken toereikend zijn.

Aantekening:
Het verdient aanbeveling dat de werkgever elk jaar in de maand januari aan de werknemer opgave doet van het aantal vakantiedagen dat de werknemer nog toekomt per 1 januari van dat jaar.

2. Voor 1 januari kan de werkgever, na overleg met het medezeggenschapsorgaan dan wel de werknemersdelegatie, vaststellen wanneer een aaneengesloten vakantie collectief zal worden gehouden. In individuele gevallen kan hiervan in overleg tussen de werkgever en de betrokken werknemer worden afgeweken.
Voor ondernemingen met een wettelijk verplichte ondernemingsraad geldt dat voor het vaststellen van een collectieve aaneengesloten vakantie de instemming van de ondernemingsraad vereist is.

Artikel 55 vaststellen verlofdagen

1. De vaststelling van de individuele verlofdagen geschiedt door de werkgever in overleg met de werknemer, mits de werknemer deze ten minste twee werkdagen van te voren aanvraagt en zijn aanspraken toereikend zijn. Religieuze feestdagen voor Nederlandse en buitenlandse werknemers, 1 mei en andere feestdagen, buiten die genoemd in artikel 19 lid 1, waarop vrijaf wordt genomen, gelden als individuele verlofdagen.
Aantekening:
Het verdient aanbeveling dat de werkgever elk jaar in de maand januari aan de werknemer opgave doet van het aantal vakantiedagen dat de werknemer nog toekomt per 1 januari van dat jaar.

2. Behoudens het bepaalde in lid 3 is de werkgever bevoegd om na overleg met het medezeggenschapsorgaan dan wel de werknemersdelegatie ten hoogste drie collectieve verlofdagen vast te stellen. De vaststelling van collectieve verlofdagen geschiedt zo tijdig mogelijk.

3. De werkgever, die werkzaamheden verricht op een bouwwerk, is bevoegd, na overleg met het medezeggenschapsorgaan dan wel de werknemersdelegatie, vast te stellen dat meer dan drie verlofdagen collectief worden genoten.

 

 

Deze informatie is gebaseerd op de CAO metaal en techniek 2015 - 2017. Het kan zijn dat er ondertussen een nieuwe CAO is overeengekomen. In dat geval dient de CAO tekst van de nieuwste CAO aangehouden te worden. Deze informatie is een verkorte weergave van de bepalingen uit de CAO. Voor de volledige afspraken dient de CAO geraadpleegd te worden.

Naar de pagina van de CAO metaal en techniek